De Nederlanden eindelijk verenigd en toch weer verdeeld, dat is het tragische verhaal van het boek "Oranje tegen Spanje 1500 - 1648", uitgave Davidsfonds D/2015/0240/40 - ISBN 978-90-5908-638-8.

PDF bestand >>>

Nadat de Bourgondische vorsten in de Lage Landen moeizaam de verschillende gewesten hadden bijeengesprokkeld, kondigde keizer Karel in 1548 de definitieve vereniging van de XVII ProvinciŽn af.

Honderd jaar later werden de Nederlanden door de Vrede van Munster (1648) in twee verdeeld: de Spaanse Nederlanden, die katholiek waren gebleven (ongeveer het huidige BelgiŽ en Luxemburg) en de Staatse Nederlanden, waar het calvinisme de hoofdtoon voerde (ongeveer het huidige Nederland).

Habsburgers versus Nassau

In de Spaanse Nederlanden waren dat de Habsburgers met keizer Karel, zijn zoon Filips II, diens dochter Isabella en ten slotte Filips IV, de kleinzoon van Filips II.

Speciale aandacht gaat uit naar de dochter van Filips II, Isabella van Spanje, die getrouwd was met aartshertog Albrecht van Oostenrijk. Isabella en Albrecht slaagden erin met de Republiek een Twaalfjarig Bestand (1609-1621) te sluiten en een opmerkelijk herstel van hun geteisterde land te bewerkstelligen. In Antwerpen bloeide de kunst hoger op dan ooit tevoren, terwijl Brussel zich ontplooide tot de diplomatieke hoofdstad van Europa.  De welvaart in de Verenigde ProvinciŽn was echter nog vele malen groter. Rond 1648 had de Republiek zich ontwikkeld tot een van de belangrijkste staten van Europa, ook en vooral met de hulp van tienduizenden vluchtelingen uit de Spaanse Nederlanden.

De Staatse Nederlanden, waarin de Staten-Generaal een leidende rol zouden spelen, slaagden erin zich aan het Spaanse gezag te onttrekken onder de stuwende kracht van Willem van Oranje en zijn beide zonen, Maurits en Frederik-Hendrik van Nassau. Zij hielden de opstandige gewesten bij elkaar (Zeven Verenigde ProvinciŽn) en vestigden een republiek.

De bloedige strijd tussen beide huizen heeft tachtig jaar geduurd (de Tachtigjarige Oorlog).
Het verhaal is tragisch, niet enkel omdat er zoveel slachtoffers zijn gevallen, maar vooral omdat noch de Habsburgers noch de Nassaus de verdeling hebben gewenst. De Habsburgers bleven altijd hopen de rebelse gewesten te heroveren, terwijl de Nassaus tot op het laatst probeerden de Spaanse provincies, en ten minste de grote koopmansstad Antwerpen, weer in handen te krijgen. Maar de loop der gebeurtenissen heeft er anders over beslist.

De Spaanse Habsburgers
 
Van 1500 tot 1648

De gangmaker van de vereniging was keizer Karel (1500-1558), de grote Habsburgse vorst, die behalve de Nederlanden ook Oostenrijk, Spanje, grote delen van ItaliŽ en tal van overzeese gebieden erfde.

Bovendien werd hij in 1519 tot keizer gekozen van het Heilige Roomse Rijk, dat vooral de Duitse gebieden omvatte. Door het lot begenadigd, droomde hij ervan een katholiek wereldrijk te stichten.

Maar Luther stak daar een stokje voor. Met zijn afwijzing van de pauselijke aflaten in 1517 stak hij de lont in een religieus kruitvat, waarna grote delen van Europa bijna anderhalve eeuw lang door godsdienstoorlogen werden geteisterd. Weldra werd de keizer met zijn ambitieuze plannen van alle zijden belaagd: door de protestanten, de Turken, de Fransen, de Engelsen, ja zelfs door de paus. Die bleef lange tijd weigeren een algemeen concilie samen te roepen om de schrijnende misstanden in de kerk uit te bannen. Moegestreden, trad de keizer in 1555 af en verdeelde het gigantische Habsburgse Rijk tussen zijn zoon Filips (Spanje en de Nederlanden) en zijn broer Ferdinand (Oostenrijk en de keizerskroon). Vooraf liet hij echter afkondigen dat de Nederlanden of de XVII ProvinciŽn voortaan een en ondeelbaar zouden zijn, wie er ook in de toekomst aan de macht zou komen.

De gangmaker van de verdeling was Willem van Oranje, van oorsprong een Duitse lutheraan uit het huis van Nassau, die door een speling van het lot op jonge leeftijd de erfgenaam werd van het prinsdom Orange en van talrijke bezittingen in de Nederlanden. Op bevel van keizer Karel werd hij in Brussel katholiek heropgevoed en groeide uit tot de voornaamste edelman van de Nederlanden. De fortuin lachte hem toe, maar na de troonsafstand van de keizer in 1555liep het mis. Oranje wierp zich op als een vurig verdediger van de oude vrijheden en adellijke voorrechten en kwam aldus in botsing met Karels zoon en opvolger, Filips II. Toen hij bovendien trouwde met een lutherse en de vertrouweling van de koning, kardinaal Granvelle, het land uitwerkte, raakte de relatie met Filips II helemaal verzuurd.

De uitbarsting van de Beeldenstorm in 1566, waarvoor Oranje niet verantwoordelijk was, werd hem niettemin zwaar aangerekend. Voortaan werd Oranje beschouwd als een rebel en het zou niet lang duren of hij nam ook de leiding van de opstand. De Tachtigjarige Oorlog was begonnen. Op de Beeldenstorm volgde een scherpe repressie onder leiding van de Spaanse veldheer Alva, die de oudste zoon van Willem van Oranje, Filips-Willem, als gijzelaar naar Spanje afvoerde. Hij zou er een half leven in gevangenschap doorbrengen. Toen hij in 1598 eindelijk vrijkwam, was zijn rol uitgespeeld, want zijn jongere halfbroer Maurits had ondertussen met succes de leiding van de rebellen overgenomen.

Na hem zou een nog jongere halfbroer, Frederik-Hendrik, erin slagen de Republiek voorgoed los te maken van elk Spaans gezag. Dat is niet vanzelf gegaan. Aan Spaanse kant zouden vooral twee geduchte legerleiders de rebellen met succes bestrijden: Alexander Farnese, de hertog van Parma, en Ambrogio Spinola, van oorsprong een bankier uit Genua. Beiden waren Italianen in Spaanse dienst.

Rol van de godsdiensten

De invloed van de godsdienst op het verloop der gebeurtenissen kan moeilijk overschat worden. Al speelden ook andere factoren in de opstand mee, zoals het behoud van voorrechten of de overzeese handel, toch blijkt telkens weer hoe de religie de voornaamste motor vormde in de strijd en bovenal het grootste obstakel bij elke poging tot overeenkomst.

Keizer Karel was tegenover ketters onverbiddelijk en zijn opvolgers hebben dat beleid angstvallig gevolgd. Maar Willem van Oranje ging er niet mee akkoord. Nog v66r de Beeldenstorm verklaarde hij dat mensen de vrijheid hadden hun geloof zelf te kiezen en dat vorsten zich daarmee niet moesten bemoeien. Die uitspraak was zo revolutionair dat raadsheer Viglius, die daarvan getuige was, prompt een beroerte kreeg. Tegelijkertijd verzette Oranje zich tegen de nieuwe indeling van de bisdommen en zelfs tegen de uitvoering van de conciliebesluiten van Trente, omdat ze de bestaande voorrechten zouden aantasten en bovendien de weg bereidden naar meer controle van de gevreesde inquisitie. Nochtans was Oranje toen nog katholiek. Weldra zou hij overhellen naar de calvinisten, die als enigen hem door dik en dun bleven steunen in zijn verzet tegen het Spaanse gezag.

Naast het katholicisme verschenen in de Nederlanden drie nieuwe religieuze strekkingen:
1. Eerst waren er de Lutheranen, die het oude geloof scherp op de korrel namen, maar zich meestal inschikkelijk toonden tegenover hun wettige vorsten.
2. Dan kwamen de Wederdopers, dikwijls zeer eenvoudige lieden, die geloofden dat het Laatste Oordeel nabij was en zich afsloten van de wereld. Aanvankelijk gingen ze erg driest te werk en probeerden in Munster een nieuw Jeruzalem te vestigen. Later zwoeren ze het geweld af, maar de inquisitie bleef hen wel ongenadig opsporen en vervolgen. Bij de talloze executies van ketters in de Nederlanden ging het in de meeste gevallen om wederdopers.
3. Als laatsten in de rij verschenen de volgelingen van Calvijn, de Franse theoloog die in Geneve een heilsstaat had gevestigd. De calvinisten onderscheidden zich van de anderen door hun hechte structuur en hun strijdbare opstelling. Ze bestreden al wie hun overtuiging niet deelde, ook als het de overheid of zelfs hun vorst betrof. De calvinisten wonnen eerst terrein in Frankrijk (de zogenaamde hugenoten) en daarna in Vlaanderen, waar ze de Beeldenstorm ontketenden. Toen Alva hen het land uitjoeg, trokken ze zich terug in vluchtelingenkolonies in Engeland en Duitsland. Uiteindelijk kwamen ze vooral in Holland en Zeeland terecht. Daar hebben ze het calvinisme zozeer versterkt dat het op de duur de enig toegestane publieke godsdienst werd.

In die jaren waren de meeste mensen erg fanatiek in hun religieuze overtuiging. De katholieke vorsten, bisschoppen en theologen duldden geen andere strekkingen dan het Roomse geloof, maar ze hebben wel loyaal meegewerkt aan de grote kuis binnen het katholicisme ten tijde van de Contrareformatie. De katholieke kerk is daar versterkt uitgekomen, want na 1600 kregen de protestanten het steeds moeilijker om nog zieltjes te winnen. Vanaf die tijd werden ketters in de Nederlanden ook niet langer terechtgesteld. De calvinisten deden in fanatisme niet onder voor "de katholieken. Ze ontketenden niet enkel de Beeldenstorm, maar lieten later in de Verenigde ProvinciŽn ook weinig ruimte aan andersdenkenden. Onder invloed van Willem van Oranje werd weliswaar de persoonlijke gewetensvrijheid toegestaan, toch bleven katholieken in de Republiek tweederangsburgers, die hun godsdienst niet officieel mochten belijden. Zelfs afwijkende strekkingen binnen de gereformeerde godsdienst waren de rabiate predikanten een doorn in het oog. Zo werden de Arminianen of rekkelijken, die de sombere idee van de goddelijke predestinatie niet naar de letter namen, heftig bestreden. Dat leidde zelfs tot de onthoofding van Johan van Oldenbarnevelt, een van de pijnlijkste voorvallen in de geschiedenis van Nederland. Er zijn voor dit drama meerdere oorzaken aangevoerd, maar de voornaamste was toch het feit dat Oldenbarnevelt, de sterke man in de Republiek, niet wilde aanvaarden dat de rabiate calvinisten het roer van de Staat zouden overnemen.

Rol van de internationale politiek

De 17 ProvinciŽn vormden een van de belangrijkste regio's van Europa. De ligging tussen diverse grootmachten was uniek, maar bovendien kenden gebieden als Vlaanderen, Brabant en Holland een relatief grote bevolkingsdichtheid en een uitzonderlijke economische welvaart. De burgerij was er invloedrijk, kunst en cultuur genoten zelfs internationale waardering. De eenmaking was echter vrij recent (1548) en de Habsburgse vorsten hadden ook elders grote belangen te verdedigen. In hun handen waren de Nederlanden dikwijls een speelbal in dienst van de internationale politiek.

Keizer Karel bleek meer dan eens bereid het land weg te schenken als hij daarmee de vrede met Frankrijk kon bereiken. In 1540 overwoog hij het land als bruidsschat mee te geven aan zijn dochter Maria, die zou trouwen met een Franse prins. In 1544 dook het plan opnieuw op, maar pas het overlijden van kandidaat-bruidegom Karel van Orleans maakte er in 1545 een einde aan.
Toen Karels zoon Filips II in 1554 trouwde met de Engelse Maria Tudor, werd er rekening mee gehouden dat hun toekomstige zoon de Nederlanden zou erven, waarna de Nederlanden en Engeland samen een nieuw rijk rond de Noordzee zouden vormen. Dat zou dan het derde Habsburgse rijk zijn, naast de reeds bestaande Duits-Oostenrijkse en Spaans-Italiaanse rijken. Een fascinerend plan, dat geen doorgang zou vinden, omdat Maria Tudor geen kinderen kreeg.

Filips II was bepaald minder geneigd om de Nederlanden los te laten, want het bezit ervan bleek essentieel om de Spaanse belangen re dienen. Via die regio kon hij
meer diplomatieke invloed uitoefenen in Europa en met succes oorlog voeren tegen Frankrijk en Engeland. De Nederlanden waren immers 'als een vesting geplant in de flanken van de christenheid', zo stelde de Antwerpse koopman Daniel van der Meulen in 1598.
Pas toen de Spaanse koning op sterven lag, deed hij afstand van de Nederlanden ten voordele van zijn oudste dochter Isabella. Dat hij toen al wist dat ze geen kinderen kon krijgen, is een sprookje dat achteraf werd bedacht. Omdat ze kinderloos bleef, ging het bezit wel degelijk terug naar Spanje.
In 1646 werden alweer plannen gesmeed om de Nederlanden als bruidsschat mee te geven bij een mogelijk huwelijk tussen Maria-Theresia, de dochter van de Spaanse koning Filips IV, en de jonge Franse koning Lodewijk XIV. De Spanjaarden lieten bewust het plan lekken aan de Staatse onderhandelaars in Munster, met de bedoeling ze wat gretiger te maken voor de vrede. Dat lukte ook, maar de Spaanse Nederlanden bleven wel Spaans bezit en dat tot in 1715, toen ze werden overgedragen aan de Oostenrijkse Habsburgers.

De 7 Verenigde ProvinciŽn van hun kant hebben voortdurend geprobeerd zoveel mogelijk gebied van de Spaanse Nederlanden in te palmen. Maar ook zij bleken bereid om er grote stukken van weg te geven in ruil voor gewapende hulp tegen de vijand.

In 1632 smeedden opstandelingen in Spaans gebied het plan om de Spaanse Nederlanden te verdelen.
Ze lieten alle Franstalige gewesten aan Frankrijk en de Nederlandstalige (Vlaanderen, Brabant en het Maasland) aan de Republiek. In 1635 namen de Verenigde ProvinciŽn het plan over. Ze lieten bovendien Vlaanderen aan Frankrijk, behalve een strook grond langs de monding van de Schelde.

Het is er niet van gekomen, omdat de Staatse diplomaten tijdig tot bezinning kwamen. Naarmate de Spaanse strijdlust verzwakte, werd immers de kans reŽel dat de agressieve Fransen vroeg of laat ook de grenzen van de Republiek zouden overschrijden. 'Prancia arnica non vicina' ('Frankrijk als vriend, niet als buur') werd voortaan het leidmotief.

Dus werd de tijd rijp voor een definitieve vrede tussen Spanje en de Republiek. Vooral de Hollanders drongen daarop aan, omdat ze binnen de Verenigde ProvinciŽn het leidende gewest vormden en vreesden dat een heroverd Brabant vroeg of laat weer de eerste viool zou willen spelen. Door de Vrede van Munster (1648) bleef de Schelde gesloten en was Antwerpen gedoemd voorgoed in de schaduw te blijven van de Hollandse erfgenaam, de nieuwe koopmansstad Amsterdam.